Kolonie van de kleine mantelmeeuw: de locatie

We kondigden het al aan dat we de komende weken de kolonie van de kleine mantelmeeuw wilden gaan volgen in de periode van nestelen, broeden en opvoeden. Zo’n 25.000 paar, 25% van de Nederlandse populatie bivakkeert deze maanden op de Maasvlakte tussen de tanks en de loodsen. Een in onze ogen desolate omgeving blijkt voor deze meeuwen een ideaal oord voor de voortplanting. Oorspronkelijk duinbroeders, hebben ze de afgezette stukken gras tussen de tanks als goede, rustige broedplaats weten te waarderen. Zo goed zelfs, dat deze kolonie de grootste van Nederland is geworden.

De ligging is natuurlijk fantastisch, zo dicht bij het water. De kleine mantelmeeuw richt zich voor hun voedsel minder op de steden, maar trekt traditioneel nog veel naar zee om te foerageren. Een kleine trip vanaf hier. Aan het water, veel groen, ruimte, rust en wat authentieke bouwwerken, zo kan men in de vakantiefolder deze plek verkopen. Wij zouden ons bij aankomst met tent of caravan bekocht voelen. Voor de kleine mantelmeeuw is het echter een top locatie!


Tussenstop

Een zonovergoten dag begin mei. Een zwerm vogels vloog paralel aan de kust van de Maasvlakte, met een plotselinge zwenk zette het koers naar het strand. Veel, heel veel vogels, zeker 500 beestjes. Binnen luttele seconden waren ze allemaal geland, iets boven de waterlijn. Voor een argeloze voorbijganger nauwelijks opvallend door de gedekte kleur van het verenkleed die hen deed wegvallen tegen het natte, donkere zand, de schelpen en het zeeschuim . Dicht op elkaar gepropt, uitrusten, opwarmen en daarna eten. Mijn kamera had er moeite mee, scherpstellen van grote afstand op zo’n grote beweeglijke massa.

Drieteenstrandlopers waren het, heel veel drietenen. Erg leuke vogeltjes die een strandwandeling altijd tot een genot maken. Op weg van de westkust van Europa en Afrika naar Groenland en Noordoost-Canada om te broeden . Tussenstop in Nederland om op te vetten. Eind mei in vrijwel 1 ruk door naar de eindbestemming. Waarom zo’n lange reis en niet gewoon hier gebleven? Wordt wel verklaard uit het langere daglicht in het arctisch gebied dat meer tijd biedt om voedsel te zoeken en dus meer kans geeft op een succesvol nest.


Hoe zwart is een aalscholver?

Vraag een willekeurige landgenoot naar de kleur van een aalscholver is en hij zal zeggen: hoofdzakelijk zwart. Iemand die wat meer openstaat voor de natuur zal er nog een toefje geel bij doen en iets mompelen over wit en bruin bij juvenielen. Weinigen zullen echter het rijke bronsgekleurde schubpatroon van de rug en de vleugels noemen dat onder invloed van het licht kan veranderen van bruin naar groen. Wanneer dan overgoten door de stralende zon dit exemplaar ineens het camerabeeld binnenkomt is afdrukken de enige juiste reactie. Iedereen die deze foto ziet en dit stukje leest weet vanaf nu dat een aalscholver heel mooi en maar beperkt zwart is. Nu maar hopen dat veel mensen dit lezen, anders wordt mijn zendingswerk wel een langdurig project.


Late reiziger

De rosse grutto, een verwant van onze weidevogel de grutto. In mei hier nog waar te nemen aan onze kust, krachten opdoend voor de laatste etappe naar de broedgebieden. Er zijn twee populaties, de ene broedt in Noord-Scandinavie en overwintert in West-Europa. In Nederland met name in de Waddenzee en rond de Oosterschelde. De andere populatie doet het wat steviger, na een zonovergoten overwintering in Mauretanie en een tussenstop in de Waddenzee om op te vetten, wordt medio mei koers gezet naar het broedgebied in Siberië. Eind juli-begin augustus kunnen we ze alweer terugverwachten. Twee populaties, twee overlevingstaktieken. De ene kiest voor een energieverslindende reis en een warm overwinteringsgebied, de andere verkiest een makkelijker reis maar zal in de winter meer “stookkosten” hebben in het koude Nederland. Beide taktieken schijnen werkbaar te zijn.

Eind april, begin mei zijn beide populaties hier te vinden. Deze drie trof ik op het strand van de Maasvlakte, druk foeragerend. Tweemaal man , een vrouw. Te onderscheiden van “onze” grutto door de donkerder, licht opwippende snavel en iets kortere poten. Maar dat laatste is zonder vergelijking moeilijk vast te stellen. De witte rugwig en het ontbreken van de witte vleugelstreep, zichtbaar in de vlucht, zorgden voor de definitieve bevestiging.


Weerzien met de steenloper

Vorig jaar december kwam ik onderstaande steenloper tegen op de Brouwersdam. Het beestje was in winterkleed, keurig op schema en passend bij de fase van het jaar. Vanmorgen op exact dezelfde locatie wederom een ontmoeting met een steenlopertje, maar nu in prachtkleed. Veel meer kleur en dat afgezet tegen de intense kleuren van het wier en het blauwe water, onder de felle voorjaarszon. Groot verschil, de verklaring van het woord prachtkleed kan verder achterwege blijven. Kijk en vergelijk!

winterkleed, opname 18 december 2019

Oude bekende

Bij paal 9 op het strand van Oostvoorne kwam ik vanmorgen vroeg deze oude bekende tegen. Tezamen met zijn maatje die noodgedwongen op de grond zat: er was tenslotte maar ruimte voor 1 op de paal. Een superieure plek, zo bovenop. Beter dan op de grond, tenzij je daar eten vindt. Goed uitzicht over de omgeving en makkelijker wegvliegen in geval van naderend onheil, zoiets zal het wel zijn. In ieder geval vloog de “grondzitter” snel op toen ik tot op 30 meter naderde terwijl de paalzitter onverstoorbaar doorging met waar hij mee bezig was: paalzitten. Een aantal plaatjes geschoten totdat de meeuw het begon te vervelen en dat met een schreeuw kenbaar maakte, daarna mijn wandeling maar hervat.

Vrijwel elke dag kom ik op dit stuk strand deze stormmeeuw tegen. Fraai beest, mooie groene poten met een kleur bek die prachtig terugkomt in het rood van de strandpaal. In mijn bericht van 20 april beschreef ik al een aantal verschillen met de zilvermeeuw, komt nu dus die onwaarschijnlijk rode bek bij!


Op een vroege morgen

Laag water, helder zonnig weer. Verstild strand. Veel scholeksters en kokmeeuwen. Vanaf de Maasvlakte naderen twee grote witte vogels, landen in het ondiepe water en beginnen voedsel te zoeken . Twee lepelaars die hun snavels heen en weer bewegen terwijl ze langzaam vooruit lopen. De ene is een volwassen exemplaar met een vrijwel geheel donkere “lepel” en een dikke, korte afhangende kuif. De tweede, een jong exemplaar waarbij de kuif ontbreekt en de lepel nog niet op kleur is. Bij adulten is er overigens nauwelijks onderscheid tussen man en vrouw. Het eivormige hoofd van het volwassen exemplaar doet vermoeden dat het om een vrouwtje gaat, bij een mannetje gaat de snavel meer gestroomlijnd in de schedel over.

De vogels zijn vermoedelijk afkomstig van het Quackjeswater, 4 kilometer verderop gelegen in de duinen. Jaarlijks broedt daar een kolonie van meer dan 150 paren. Met Noordzee, Haringvliet, Grevelingen en Oosterschelde in de directe omgeving is voedsel volop aanwezig. Lepelaars zoeken hun voedsel tot 30 kilometer vanaf de broedplaats. Het gaat goed met de lepelaar in Nederland, 3000 broedparen waarvan een kwart in de Delta en de helft op de Wadden. De kolonie in het Quackjeswater is er vanaf 1989 , onstaan door het uiteenvallen van die in het Naardermeer. De komst van de vos aldaar heeft er voor gezorgd dat de lepelaar verhuisd is naar de Wadden en de Delta ( info Sovon). “Ieder nadeel heb z’n voordeel”. Mooie vogel, merkwaardige bouw. Blijf me alleen verwonderen over dat rare zwaartepunt door die zware lepel in de vlucht.


Coming soon: de kolonie van de Kleine Mantelmeeuw

Binnenkort gaan we de schijnwerper richten op de Kleine Mantelmeeuw. Wat veel mensen niet weten is dat de grootste broedkolonie van deze fraaie vogel in Europa zich bevindt op de Maasvlakte. Tussen de olietanks en de opslagloodsen broeden hier jaarlijks ca 25.000 paar kleine mantelmeeuwen, zo’n 25% van het Nederlandse totaal. Deze donker gekleurde tegenhanger van de iets grotere Zilvermeeuw en te onderscheiden van zijn grote broer de Grote Mantelmeeuw door zijn gele poten, broedt sinds begin vorige eeuw in Nederland en de laatste jaren met groot succes. Inmiddels is ons land cruciaal voor deze soort. In de winter nauwelijks hier nog aanwezig, ze zijn dan naar zuidelijker streken vertrokken. Men kan ze makkelijk verwisselen met de Grote Mantelmeeuw, maar die heeft rode poten. Deze laatste is juist aanwezig in de winter en zoekt zomers zijn heil elders om te broeden. Wanneer men ze in voor- en najaar bij elkaar ziet, valt duidelijk het verschil op in grootte.

Maar voor nu: op dit moment zijn deze vogels bezig te nestelen. Gisteren heb ik ze opgezocht op de weg naar de Pistoolhaven op de Maasvlakte. In een desolate , industriele omgeving zaten duizenden van deze meeuwen hun voorbereiding te treffen voor de broedperiode, gewoon in de berm en tussen de loodsen en tanks. De komende weken zal ik er regelmatig te vinden zijn om de vorderingen van hun voortplanting te volgen: “coming soon”. Voor nu wat plaatjes van deze fraaie meeuw in prachtkleed, strak van het testosteron, alle kleuren op zijn fraaist! Wordt vervolgd.


De kliffen van Voorne II

Het is bijna volle maan, twee dagen later kunnen we springtij verwachten. In de aanloop hiernaar toe zijn de hoog- en laagwaterstanden al op- en “af” gelopen en dat benutten we. Met eb kunnen we nu dicht bij onze klif komen zonder natte voeten te halen, er zijn ook voor een natuurliefhebber tenslotte grenzen. Het doel is de eiders te fotograferen op de verder gelegen rots, boven me cirkelen visdiefjes. Op de eerste rots landt plots de eerste visdief, gevolgd door een tweede. Door de knieën, scherpstellen en schieten, dan maar geen eider, maar wel een visdief en toch een paar natte poten.

De visdiefjes verblijven in Nederland van april tot november, daarna is hier het gedaan en zoeken zij hun heil in de warmte van West-Afrika. In Nederland gaat het om ca 16.000 broedparen die in kolonie broeden. Hier aan de kust zijn we met deze vogel goed bedeeld. Schitterende en behendige vissers, mooie vogel. Let op het zwarte puntje aan het uiteinde van zijn snavel: ontbreekt het dan zou het wel eens om zijn neefje, de noordse stern, kunnen gaan.


De kliffen van Voorne I

De kust van Voorne bestaat uit duinen, strand en zandbanken. Hier en daar een plaat klei en wat slikken. Zoals aan de gehele Nederlandse kust ontbreken de rotsen. Onze vogels moeten het doen met wat basaltblokken bij de Haringvlietdam en de ingang van de Waterweg. In zee is er verder niets te vinden op 1 uitzondering na: voor de kust van Voorne ter hoogte van de Groene Punt liggen als markant punt in zee de resten van een bunker. Relict uit het verleden, restant van de Atlantikwall, weggezakt in zee door het verschuiven van de kustlijn. Mooi verhaal, voor deze (mannetje) eiders maakt het niet uit, het vormt een ideaal rustpunt in het woelige water op veilige afstand van het strand. Daarnaast zit er rond de bunkerrestanten veel voedsel: mosselen, krabben en zeesterren. Voor hen zijn het de ideale kliffen, ook al is het maar gewapend beton.

De eider is bekend als overwinteraar voor onze kust. Minder bekend is dat er in de Delta ook een zeer beperkt aantal paren broedt ( Maasvlakte, Neeltje Jans en Grevelingen), naast de ca 6000 paren in het Waddengebied. Of deze heren eider ook brave huisvaders zijn laat zich raden: er hangen ook nog wat solitaire exemplaren rond en vrouwtjes ben ik daar niet tegengekomen. Aan het kleed te zien gaat het hier om adulten. Laten we het dan maar houden op hangadulten op de klif.